Noord-Limburg
Bocholt
Bree
Hamont-Achel
Hechtel-Eksel
Lommel
Meeuwen-Gruitrode
Neerpelt
Overpelt
Peer
Meer Noord-Limburg

De regio Noord-Limburg is gelegen in het noorden van de Belgische provincie Limburg en behoort tot het arrondissement Maaseik. De noordzijde wordt begrensd door de Nederlandse grensprovincies Noord-Brabant (regio Eindhoven) en Nederlands Limburg (regio Weert). De streek Noord-Limburg vormt een ruimtelijke eenheid op de kaart Neerpelt-Bree van het Gewestplan.

Noord-Limburg bestaat uit negen gemeenten: Bocholt, Bree, Hamont-Achel, Hechtel-Eksel, Lommel, Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt, Overpelt en Peer. De regio telt 141.000 inwoners. Dit is 17,4% van de Limburgse bevolking op een oppervlakte van 60.887 ha of 25% van de Limburgse oppervlakte. Noord-Limburg is dan ook met 232 inwoners per vierkante kilometer de dunst bevolkte streek van Limburg. Dit uit zich ook in het ruimtegebruik. Aan de westzijde is het gebied Lommel/Neerpelt/Overpelt/Hamont-Achel een industriegebied met verstedelijkte woongemeenten. Dit gebied is in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen opgenomen als uitloper van de Kempische as. Voor het overige wordt Noord-Limburg getypeerd als een gebied met grote kernen met verspreide bebouwing in het buitengebied. Bree is de kern met bovenlokale betekenis aan de oostzijde van de regio.

Het gebied is (geomorfologisch) de uitloper van het Kempisch Plateau dat geleidelijk afdaalt naar het noorden toe, van een hoogte van 70 meter in Meeuwen-Gruitrode tot 35 meter in Hamont-Achel. Met uitzondering van een gedeelte van Hechtel-Eksel en Lommel dat naar de Schelde afwatert (Nete), zijn de waterlopen zuid-noord-oostelijk georiënteerd richting Maas (Dommel, Warmbeek, Abeek, Itterbeek). De beekvalleien geven samen met de uitgestrekte bosgebieden het groene karakter aan deze streek.

Taaie wortels in de Kempense zandgrond

Evenals de rest van de Kempen is Noord-Limburg vrij laat tot economische ontwikkeling gekomen. In periodes dat landbouw de hoofdactiviteit vormde leverden de schrale heidegronden weinig opbrengsten. Het is pas sedert het midden van de vorige eeuw dat werd overgegaan tot ontginning van de heidegronden met de aanplanting van dennenbossen en het ontginnen van gronden voor de landbouw. Deze zwakke ontwikkeling van de landbouw gold nog sterker voor het noord-westelijk deel van de streek (Lommel-Overpelt-Neerpelt) met zijn typische zandgronden, dan voor de meer vruchtbare gronden in de zuid-oosthoek (Bree-Bocholt-Meeuwen-Gruitrode-Peer).

Parallel met deze zwakke landbouw ontwikkelde zich in de achttiende eeuw de voor de streek bekende teutenhandel. De Teuten waren in oorsprong leurders die vaak in de eigen woonplaats een handelszaak hadden. In het voorjaar trokken de Teuten naar Holland, het Rijnland, zelfs naar de Elzas en Noord-Duitsland. In december keerden zij naar huis terug waar zij feestelijk werden ingehaald. Zij dreven handel in koperen, tinnen en ijzeren ketels, verkochten textielwaren en aardewerk en traden soms op als officieuze veeartsen. Jarenlang bepaalden de Teuten het sociaal en economisch leven in de Noord-Limburgse dorpen.

In het midden van de negentiende eeuw werd de Noorderkempen ontsloten door belangrijke infrastructuurwerken. Vooreerst was er rond 1820 de afwerking van de Zuid-Willemsvaart, dewelke de streek aandoet ter hoogte van Bree en Bocholt en in de periode van het Verenigd Koninkrijk bedoeld was als verbinding tussen het Luikse industriegebied en de Nederlandse havens. Verder werd in 1846 het Kempisch kanaal of het kanaal Bocholt-Herentals voltooid, waardoor er via de Kempen een verbinding kwam tussen Luik en Antwerpen. Bijkomend voordeel van deze Kempische kanalen was dat via het ingenieus systeem van de vloeiweiden het kanaalwater gebruikt werd voor de bevloeiing van de droge landbouwgronden.

Uit de tweede helft van de 19de eeuw stamt de aanleg van de spoorlijnen Hasselt-Eindhoven (1866) en Antwerpen-Mol-Mönchengladbach (1879). Deze laatste werd ook wel IJzeren Rijn genoemd. Op deze manier verleende Noord-Limburg doorgang aan twee belangrijke internationale spoorlijnen.

Dit bracht de aanzet tot de industrialisatie met de bouw van de zinkfabrieken te Lommel en Overpelt en de poederfabriek in Kaulille op de uitgestrekte en afgelegen heidegronden. Daarnaast kwamen in de verschillende centra kleine ambachtelijke bedrijven tot stand, met ondermeer de sigarennijverheid, brouwerijen, leerlooierijen en de productie van aardewerk. Na deze aanzet tot industriële ontwikkeling volgde ook de uitbouw van het onderwijs en de administratieve diensten.

Alhoewel het gewest Noord-Limburg in de periode tussen de twee wereldoorlogen nog voornamelijk zijn agrarisch karakter bleef behouden, vonden meer en meer mensen een tewerkstelling in de plaatselijke industrieën en in de Midden-Limburgse mijnen. Na de tweede wereldoorlog kwam de industriële ontwikkeling in een stroomversnelling, doch Noord-Limburg pikte hier onvoldoende van mee. Midden-Limburg, het Antwerpse hinterland en de regio Eindhoven waren aangrenzende groeipolen en zogen de nieuwe economische activiteit naar zich toe. De wegeninfrastructuur bleef achter, de spoorlijnen werden praktisch opgedoekt en verloren hun internationale karakter. Het kanaal was tussen de oorlogen wel gebracht op 600-ton vaart, maar ondertussen was er het Albertkanaal als rechtstreekse verbinding tussen Antwerpen en Luik.

Vandaar dat de streek een veel hogere vraag naar werk kende dan een een werkaanbod, met als gevolg een grote pendelbeweging enerzijds richting Midden-Limburg en het Antwerpse en anderzijds de grens over naar Nederland. In de jaren zestig waren de voordelen van het grote arbeidspotentieel, met daarin nog een praktisch niet aangesproken vrouwelijke beroepsbevolking, niet ontgaan aan enkele buitenlandse investeerders en kwamen in de regio een reeks kleine bedrijven tot stand. De textielsector was hierin echter overgeaccentueerd zodanig dat bij de eerste tekenen van de economische crisis midden zeventiger jaren veel van deze bedrijfjes hun deuren sloten en de werkloosheidscijfers pijlsnel de hoogte ingingen (+50% in de periode '76-'80). Ook de tewerkstelling in de traditionele grotere bedrijven in de regio daalde systematisch. Vooral de zinknijverheid kende een sterke teruggang.

Een actieve tewerkstellingspolitiek werd gevoerd door het inrichten van industrieterreinen en ambachtelijke zones in de verschillende gemeenten. Hierop vestigden zich voor een deel nieuwe bedrijven. Anderzijds kende het bedrijfsleven een belangrijke endogene groei door de uitbreiding van veelal familiale bedrijven uit de streek zelf. De metaalnijverheid en de bouwsector tekent zich hierbij duidelijk af.

De nieuwste ontwikkeling in het bedrijfsleven voor de streek voltrok zich in de toeristische sector, waar door de inplanting van enkele bungalowparken het verblijfstoerisme een sterke impuls kreeg.

Laatste nieuws
Persberichten
Website in de kijker
Bezoek de website van Schutterij Sint-Laurentius Bocholt.